Blz.1 | Blz.2 | Blz.3 | Blz.4 | Blz.5 | Blz.6 | Blz.7 | Blz.8 | Blz.9 | Blz.10 | Blz.11 | Blz.12 | Blz.13 | Blz.14 | Blz.15 | Blz.16 | Blz.17 | Blz.18 | Blz.19 | Blz.20 | Blz.21 | Blz.22 | Blz.23 | Blz.24 | Blz.25 | Blz.26Blz.27 | Blz.28 | Blz.29 | Blz.30 | Blz.31 | Blz.32 | Blz.33 | Blz.34 | Blz.35 | Blz.36 | Blz.37 | Blz.38 | Blz.39 | Blz.40 | Blz.41 | Blz.42


Kapitein Flapoog heeft wel voeten, ze staan alleen niet op deze afbeeldingKapitein Flapoog is vandaag met het verkeerde been uit bed gestapt. Het was namelijk het been van de gevaarlijke piraat, Kapitein Groenbaard.

Kapitein Groenbaard werd door iedereen Kapitein Groenbaard genoemd, omdat hij zich zo aan iedereen voorstelde.

Kapitein Flapoog had geen flauw idee hoe hij aan dit been was gekomen, sterker, hij wist niet eens dat het een been was. “Wat een merkwaardig geval,” mompelde hij in zichzelf, “Hoe komt dit in mijn bed?”, vroeg hij zich af.

De trein stopte op dat moment bij halte Zwirkendam. Kapitein Flapoog woont in een trein, waarmee hij de wereld af reist op zoek naar schatten en in hoge nood verkerende dames. De trein, zíjn trein, was een oude stoom locomotief die bestuurd werd door de, aan pijp-tabak verslaafde, Abraham. Abraham, de man met de verslavingenAbraham was een man van verslavingen. Naast pijp-tabak kon hij geen dag zonder mosterd, piepschuim, paarse sokken, zoete parfum en nagels bijten. Dwangmatig moest hij bij elke bocht naar links 2 maal in zijn handen klappen en bij een bocht naar rechts moest hij een glas water drinken. Kapitein Flapoog probeerde zijn reizen dan ook met zo weinig mogelijk rechter bochten te plannen, om zo de plas-pauze vertragingen tot een minimum te beperken.

Kapitein Flapoog stapte, met het houten been tussen zijn tanden, de trein uit. Abraham knaagde aan een duimnagel, die hij van een Zen-meester uit de Himalaya had gekocht.

Kapitein Flapoog was een held, een superheld zelfs, hij had geen armen, maar wel 2 uiterst rekbare ogen en flexibele flapogen. Met zijn ogen kon hij meer dan menig mens met 2 armen, 2 handen en 10 vingers. Wat hij niet kon, was bedenken hoe dit vreemde houten geval in zijn bed was beland.

Ergens op een schip, varende tussen woeste golven, strompelde een nog woestendere Kapitein Groenbaard op een tennisracket ter vervanging van zijn verloren been.

Kapitein Flapoog had een missie, hij móést uitvinden wat dat houten voorwerp was, en waar het vandaan kwam. Het houten geval rook vaag naar zilte sokken, het liep van een brede holle bovenkant uit naar een smalle platte onderkant. Althans, hij vermoedde dat dit de boven en onderkant waren, zeker weten kon hij pas wanneer hij de werkelijke toepassing van dit object te weten zou komen.

En zo mijmerend liep hij een kroeg in. De ruigste en wildste kroeg uit heel Zwirkendam, thuis van stoere zeebonken en leren motorbinken. Hier was elke dag wel een kroeggevecht, piraten en zombies waren hier schering en inslag. Samurai’s en dronken circusclowns stonden elkaar hier menigmaal naar het leven. Het was tevens de enige kroeg in heel Zwirkendam.

Kapitein Flapoog legde de houten poot op de bar en bestelde een bier met een rietje. Een schimmig figuur aan een tafeltje in de hoek sloeg dit tafereel gade, hij leek de houten poot te herkennen. Zeker weten wist hij het nog niet, maar hij beloofde zichzelf er voor het eind van deze dag achter te komen.

Ondanks zijn flexibele en multi-inzetbare ogen, is het Kapitein Flapoog nog nooit gelukt om zonder rietje iets te drinken, elk probeersel of experiment liep onherroepelijk uit op een nat pak en één of meerdere schaterlachende toeschouwers. Eten, daarintegen, was geen enkel probleem.

De Barman schopte een groepje onrust stokende cowboys en indianen de kroeg uit. Ze waren opruiende teksten aan het scanderen, en er overduidelijk op uit om iemand z’n moeder eens grondig te beledigen, als diegeen wat zou durven zeggen over hun gevatte, edoch obscene liederen.

Kapitein Flapoog slurpte wat aan zijn rietje alvorens, de aan de bar hangende, man naast hem te vragen waar hij de dichtsbij zijnde houtwerker kon vinden. De man, duidelijk te dronken om een zinnig antwoord te formuleren, keek hem zijdelings aan. Het was een scherpe, indringende blik. Kapitein Flapoog zoog nog eens wat aan zijn rietje, de man viel om.

Ergens op zee, viel Kapitein Groenbaard ook om, hij was van zijn racket gegleden.

De Barman sprak Kapitein Flapoog aan. Hij sommeerde hem het houten been van de bar te halen, het been was slecht voor zaken beweerde de Barman. In “de Klapdeur”, zoals deze kroeg heette, werden menig zaken gedaan. De circus clowns verhandelde hun lachgas aan zombies. De indianen verruilden opium voor het goud van de piraten. En dan waren er ook nog talloze handeltjes die het daglicht ècht niet konden verdragen.

Kapitein Flapoog haalde het been van de bar waarna hij aan de Barman vroeg of hij het been misschien kon identificeren. De Barman schonk zichzelf een vaag drankje in, en nam er een slok van. Bedenkelijk keek de Barman Kapitein Flapoog recht in de ogen, althans, hij ondernam een dappere poging om Kapitein Flapoog recht in de ogen aan te kijken. De poging mislukte. Kapitein Flapoog, niet bepaald onder de indruk van deze poging, zuchtte eens diep en slurpte nog wat aan zijn rietje. De gevallen man naast Kapitein Flapoog raapte zichzelf bij elkaar en trok zich weer op aan de bar.

Kapitein Groenbaard heeft zijn dag nietEr was storm op komst, Kapitein Groenbaard hupte zenuwachtig heen en weer op zijn, als been geïmproviseerde, paraplu terwijl zijn matrozen de zeilen neer haalden.

Schobbejakken was het enige woord wat de dronken man kon voortbrengen, alvorens weer van zijn kruk af te vallen. Twee giechelende meisjes, van rond een jaar of twaalf, liepen de kroeg in , klaarblijkelijk verdwaald. “Wat een rokerig stinkhol is dit,” zeiden ze tegen elkaar terwijl ze zich omdraaiden en de tent weer verlieten. Een groepje leren binken stemden daarmee in en vertrokken ook. Onderwijl dit alles legde de Barman aan Kapitein Flapoog uit dit stompe voorwerp nooit eerder te hebben gezien en geen idee te hebben waar het voor zou moeten dienen. Hij opperde dat het misschien een instrument voor de heilige rituelen van de papaver-indianen kon zijn, zo’n ritueel waarbij een maagd in de gapende mond van een slapende vulkaan moet worden gegooid. De rituelen werden nog maar zelden uitgevoerd, puur door een gebrek aan maagden, vulkanen en papaver-indianen. Kapitein Flapoog vroeg de Barman waar hij een papaver-indiaan kon vinden, die haalde alleen maar zijn schouders op en nipte nog wat van zijn, troebel en stroperig uitziend, drankje.

Het was duidelijk voor Kapitein Flapoog, hoewel hij zich besefte dat hij naar strohalmen greep, moest hij op zoek naar de, eerder uit de Klapdeur verwijderde, Indianen. Resoluut dronk Kapitein Flapoog zijn pilsje leeg, stond op, pakte het been en liep naar buiten. De schimmige personage volgde hem stiekem en onopvallend.

De storm was opgestoken, jammer voor Kapitein Groenbaard was zijn tijdelijk been geen stormparaplu. Het been begaf het, even zoals het evenwicht van Kapitein Groenbaard.

Abraham was inmiddels inkopen gaan doen. Zakken met kolen sleepte hij de trein in , uit de kontzak van zijn spijkerbroek staken 3 paar nieuwe paarse sokken, ruim voldoende voor een week.

Kapitein Flapoog, met het houten been in zijn kielzog, stond zich op zijn hoofd te krabben voor de ingang van de Klapdeur. Dit was uiteraard figuurlijk, Kapitein Flapoog heeft immers geen handen, laat staan nagels om mee te krabben, iets waar Abraham zich enorm aan kon ergeren. De schimmige figuur besloot dat dit zijn kans was en trok een spurt richting houten been. Hij griste het been tussen Kapitein Flapoog’s tanden vandaan en glipte een donkere steeg in. Kapitein Flapoog bedacht zich geen moment en zette meteen de achtervolging in. Met een luipaardsprong wist Kapitein Flapoog De Schim de pas af te snijden, maar het schimmige persoon, ook niet voor één gat te vangen, wist met een katachtige reflex de Kapitein te ontwijken. Als twee dolle honden hielden de mannen dit kat-en-muis spel een stief kwartiertje vol. Uitgeput gaf het schimmig persoon zich gewonnen. Kapitein Flapoog wikkelde één van zijn flapogen om het schimmig figuur, tilde hem van de grond, en nam hem mee terug naar “de IJzeren Eila”, zoals zijn trein heet, vernoemd naar zijn jeugdliefde. Zijn jeugdliefde heette gewoon Eila, zonder omschrijvende bijvoeglijke naamwoorden. “IJzeren” had Kapitein Flapoog zelf toegevoegd, het ging tenslotte om een trein, èn om zijn artistieke vrijheid.

Terwijl Abraham de schimmige persoon vastbond in één van de wagonnen, vertelde Kapitein Flapoog hem wat hij had gezien en gehoord in de Klapdeur. Een machtig mooi verhaal, was Abraham’s semi-professionele mening. Semi-professioneel, omdat Abraham geen flauw idee had hoe je een mooi verhaal kon herkennen, maar hij kon wel héél erg goed doen alsof hij wist hoe dat moest.

Kapitein Groenbaard zat op zijn, door de storm erg heftig schommelende, schommelstoel in zijn kajuit, te jammeren over wat een verschrikkelijke pechdag dit was, en dat hij wilde dat hij toch maar naar zijn moeder had geluisterd en helikopterpiloot was geworden.

de Schimmige Figuur heeft snode plannenKapitein Flapoog beloofde plechtig aan de schimmige figuur hem vrij te laten als hij eerlijk antwoord zou geven op een paar simpele vragen. Het schimmige figuur vond de, te strak, door Abraham aangelegde touwen om zijn polsen maar pijnlijk snijden en zag zijn vrijheid terug wel zitten. Hij stemde in op het voorstel. Kapitein Flapoog droeg Abraham op om een pen te halen, èn, De Vragenlijst. De schimmige persoon was er van overtuigd dat dit een soort geheime code was voor gruwelijke martelwerktuigen uit de middeleeuwen, of iets dergelijks, en begon te smeken voor zijn leven. Even later overhandigde Abraham hem twee vellen papier, en een zwarte pen. De eerste paar vragen waren vrij simpel, zijn naam, eventuele meisjesnaam, geslacht, adresgegevens, enzovoorts. Op de achterzijde van blad 1 bevond zich een persoonlijkheidstest, waaruit hij opmaakte dat hij de kleur rood was en zijn zielebloem een madeliefje. Op blad 2 begonnen de echt moeilijke vragen, deze vragen waren duidelijk gepersonaliseerd en toegespitst op de voor hande zijnde situatie. Het gehele formulier toonde professioneel en met oog voor detail opgesteld. De Schim was danig onder de indruk van deze, schijnbaar, goed georganiseerde heroïsche onderneming. Geïnspireerd vulde hij het gehele formulier eerlijk en naar waarheid in, zelfs het vakje met de vraag of hij de Kapitein Flapoog nieuwsbrief wil ontvangen vinkte hij aan. Na het ondertekenen van het formulier werd De Schimmige ontknoopt en was hij vrij om te gaan.

De storm bleef flink aanhouden, en Kapitein Groenbaard’s schip begon averij te maken. Het was werkelijk, een bijna helse, pechdag voor Kapitein Groenbaard en zijn bemanning.

Kapitein Flapoog was niet veel wijzer geworden van het schimmige figuur’s vragenformulier, en zat met Abraham te overleggen of er volgende keer nier misschien een derde blad met vragen bij moest. Abraham nam een flinke lepel kruidnagel mosterd, en beloofde Kapitein Flapoog er nog eens een nachtje diep over na te denken. Kapitein Flapoog hield niet zo van mosterd, hij kreeg er altijd enorme traanogen van.

Er werd op de deur gebonkt, en niet zo zachtjes ook. Kapitein Flapoog stak vlug een oog uit het raam om te kijken waar al dat kabaal voor nodig was. Er stond een volledig in het wit geklede man, met een hoge koksmuts op zijn verstrooid uitziende hoofd, aan de deur van de locomotief te rammelen. Kapitein Flapoog nam aan dat het een kok was, maar het had ook net zo goed een dokter of een barbier kunnen zijn. De man keek redelijk verschikt op toen hij opeens dat grote oog uit het raam zag steken. De Barman had hem wel verteld dat Kapitein Flapoog enorme flapogen had, maar het leek hem persoonlijk nogal een sterk verhaal, ingegeven door een te grote dosis medicinale alcohol. Tot nu dan.

Abraham liet de man binnen, Kapitein Flapoog reikte hem een stoel aan.

Jean-Piere de zo-goed-als-chef-kokDe man in het wit stelde zich voor als Jean-Piére, de chef-de-cuisine van de Klapdeur. Dat wil zoveel zeggen als dat hij een tosti kan maken zonder de complete kroeg af te branden. Jean-Piére had van de Barman de opdracht gekregen om Kapitein Flapoog op te zoeken en hem te vertellen dat hij erachter was gekomen waar de laatste der papaver-indianen zich bevindt. Het was eigenlijk een best goed bewaard geheim, en alleen een handjevol cowboys wist er van.

Zoals al eerder gezegd, in de Klapdeur werd van alles verhandelt, inclusief kennis. De Barman had de cowboys simpelweg een vat goedkope rum geruild voor een kaart waarop de route naar de laatst bekende woonplaats van de papaver-indiaan stond. De Barman wilde een deal maken met Kapitein Flapoog, de kaart in ruil voor het geheime cactose-wijn recept van de papaver-indianen. Dat moest geen probleem zijn vond Kapitein Flapoog en nam het aanbod aan. Het zou een gevaarlijke reis worden door donkere bergen en woeste wouden, zo’n reis is niets voor een simpele barman. Barmannen zijn gewoonlijk niet geschikt voor barre tochten, dat zijn toch meer van die dingen die helden doen, en bovendien wie zou er op de kroeg moeten letten terwijl de Barman de avonturier aan het uithangen is, nee dit zijn toch meer van die dingen die helden doen. Laat er nou net een gewillige held in Zwirkendam aangekomen zijn vandaag. Jean-Piére overhandigde de kaart aan Kapitein Flapoog.

Uiteindelijk brak het schip in tweeën, het was niet opgewassen tegen deze moeder van alle natuur-geweld. Kapitein Groenbaard, zich vastklampend aan een stuk wrakhout, zuchtte eens diep en bedacht zich dat de dag vanaf nu alleen nog maar beter kon worden

Abraham en Kapitein Flapoog waren aandachtig de kaart een het bestuderen. De indiaan woonde in een onherbergzaam gebied, waar ze zeker en vast nooit met de IJzeren Eila zouden kunnen komen. De exacte locatie van de indiaan stond op de kaart aangegeven met een geinige handgetekende tipi. Iets naar het oosten stond een, net zo geinig handgetekende, bizon. Kapitein Flapoog vroeg zich af hoe serieus hij die bizon moest nemen, terwijl Abraham opperde dat het best zou kunnen dat die tipi er ook niet exact zoals op het plaatje uit zou zien.

De schimmige persoon was inmiddels in de Klapdeur, onder het genot van een pilsje, aan de praat geraakt met een blauw geneusde circusclown. Ze waren beiden redelijk teleurgesteld in wat het leven hun tot nu toe te bieden had gehad. Al converserend kwamen ze tot het idee om samen een winkel te beginnen met goochel en tover artikelen. “Schimsalabim” leek hun wel een geschikte naam, en binnen een uur of twee hadden ze een redelijk waterdichte businesscase achterop wat bierviltjes geschreven. Gebroederlijk zwalkten ze naar de dichtstbij zijnde bank, om hun businesscase te presenteren en een lening los te peuteren.

Nadat Abraham een nachtje diep had nagedacht over een blad 3 voor het ondervragingsformulier, vertrok de IJzeren Eila met gezwinde spoed naar het Zevenkoningswoud. Zoals bij zoveel plaats en regionamen is het niet exact bekend waarom dat gebied heet zoals het heet, en is de herkomst van de naam veelal giswerk. Bij het Zevenkoningswoud hadden de omwonenden sterk het vermoeden dat het bos in het verleden iets met zeven koningen van doen had, exact wat wist niemand.

Het was, ondanks de ongelooflijke snelheid van de IJzeren Eila, een aardig eind rijden naar het Zevenkoningswoud. Abraham trapte hem flink op zijn staart, maar al-met-al deden onze helden er toch met gemak een dag of drie over om bij een dorpje aan de rand van het woud aan te meren.

Het dorpje, met een bewonersaantal dat op 10 vingers te tellen was, bevond zich naast een vergroeid pad naar het hart van het woud. Er was al in geen jaren meer een dorpsbewoner het woud in geweest. Volgens de bewoners leeft er in het woud een vloek. De vloek struint over de boomtoppen en door de moerassen van het woud, zoekend naar zijn volgende slachtoffer om te behuizen. Soms kano’de de vloek door de rivier en zong dan luidkeels liederen over watervallen op een angstaanjagende tweestemmige manier.

Shaman met sadistische trekjesDe lokale Shaman hing opzichtig versierde kettingen om de nekken van Kapitein Flapoog en Abraham. “Ter bescherming tegen kwade geesten?”, vroeg Abraham wrijvend over een stuk piepschuim. “Ter herkenning, wanneer we jullie dode lijken vinden,” meldde de Shaman samen met een enkel-tandige grijns. Abraham werd een beetje nerveus na deze plagende opmerking, en ging even een plaspauze nemen. Te veel bochten naar rechts, was zijn smoes.

Na dagen door zee te hebben gedobberd spoelde Kapitein Groenbaard aan op een verlaten stuk strand, zijn bemanning was nergens te bekennen, wel een hoop wrakhout. Het was niet duidelijk of het wrakhout van zijn eigen schip was, of van collega slachtoffers. Kapitein Groenbaard besloot eerst maar eens een stuk wrakhout te promoveren tot kunstbeen.

Kapitein_Flapoog hakt er op losKapitein Flapoog en Abraham begonnen aan hun barre tocht. Met grote halen kapte Kapitein Flapoog het dichtgegroeide pad open. Hij had zijn rechteroog stevig om het handsvat van een kapmes gewikkeld. Abraham bestudeerde elk afgekapt takje aandachtig, wie weet maakte het wel heerlijke pijp-tabak. Kapitein Flapoog maande Abraham voorzichtig aan door te lopen, ze hadden al zoveel tijd verloren met die lange treinreis. Abraham reageerde een beetje nurks, hij wist wel dat Kapitein Flapoog gelijk had, maar was ondertussen van mening dat ze helemaal geen haast hadden.Morrend stopte Abraham een paar handen vol takjes en twijgen in zijn rugzak, waarna ook hij een kapmes ter handen nam en er lustig op los begon te kappen. Na een paar kilometer stuitte het tweetal op een enorm dikke eikenboom waar het pad zich opsplitste. Niemand in het dorp had hun kunnen vertellen welke richting ze op moesten of wat ze zouden kunnen aantreffen onderweg, gewoon omdat niemand het wist. Nu stonden ze dus bij een boom en een splitsing, onvoorbereid te bediscussiëren wat het volgende plan van actie zou zijn. Kapitein Flapoog stelde voor om de boom in te klimmen, zodat hij zich beter kon oriënteren en hopelijk richting kon bepalen. Abraham vond het een goed idee. Terwijl Kapitein Flapoog begon te klimmen begon Abraham zijn pijp te stoppen met een kruiden-mixtuur dat hij van de Shaman had gekregen in ruil voor een paar gebruikte paarse sokken, waar een gat in was gekomen doordat hij zijn linker teennagel lang liet groeien ter voorbereiding op deze toch naar het hart van het Zevenkoningswoud. Abraham wist niet van te voren hoe lang de toch zou duren, maar dat het geen plezierritje zou worden was duidelijk en een voorbereid mens telt tenslotte voor twee.

Zoals als bij elk strand waar schipbreukelingen aanspoelen, bevind zich aan de rand van het strand een jungle. Het komt zelden tot nooit voor, dat er een mooi stuk geasfalteerde weg met een bushalte wordt gevonden. Dit geluk mocht ook Kapitein Groenbaard niet toekomen, hij vond inderdaad een flinke rand groen bebosde jungle.

Tussen twee bomen in hing een deur, met daarvoor een deurmat waarop de tekst “Welkom” stond gedrukt.

Ondanks zijn gebrek aan armen kon Kapitein Flapoog goed klimmen. Hij slingerde met zijn flapogen, hoger en hoger, van tak naar tak, tot hij in het topje van de boom zat. Het topje was hoog, zo hoog dat Kapitein Flapoog onwillekeurig aan het sprookje van Sjaak en de Bonenstaak moest denken. Het bladerdak van de boom was zo dicht dat hij nog onmogelijk de grond kon zien. Abraham rookte ondertussen op zijn gemakje van zijn pijp en begon langzaam in een soort trance te raken. Hij hallucineerde over het woud, dat de bomen begonnen te dansen en hoe de schimmige vloek tussen al die dansende bomen door gleed, als een zwarte panter op zoek naar een verse prooi. De lucht kleurde paars en de bomen begonnen te groeien. Een benauwend gevoel bekroop Abraham toen hij zich begon te realiseren dat het woud samenspande met de vloek, en hij het verse slachtoffer was. De bomen, steeds groter wordend, begonnen hem te omcirkelen. Hij zag steeds minder van de paarse lucht, terwijl de wereld om hem heen steeds donkerder werd. “Dit word het einde,” is het laatste wat hij dacht.

Nonchalant leunde Kapitein Flapoog tegen het topje van deze statige eik, terwijl hij met zijn rechteroog naar het noorden tuurde en zijn linkeroog het zuiden afspeurde. Bomen, zover zijn zicht reikte zag hij bomen. Een onwillekeurig bij elkaar geraapt zootje bomen. Eiken, treurwilgen en lariksen stonden gebroederlijk, of gezusterlijk, zij-aan-zij. Kapitein Flapoog had zich nooit zo geïnteresseerd in biologie en plantkunde, onderscheid maken tussen heren en damesbomen was dus niet erg aan hem besteed. Door zijn gebrek aan educatie op dit gebied wist hij eigenlijk niet eens zeker of het hier wel om eiken, treurwilgen en lariksen ging. Licht gedesillusioneerd begon Kapitein Flapoog maar de klim neerwaarts.

Er werd op de deur geklopt, een snerpende stem riep dat hij zijn voeten moest vegen. Kapitein Groenbaard besloot dat dit, in zijn huidige toestand, een onmogelijke opgave was en draaide zich weer om.

Waar was hij, flitste door de gedachten van Kapitein Flapoog. Daar, waar hij Abraham had achtergelaten, lag alleen nog zijn kapmes. Geen spoor van zijn metgezel, het zag er uit alsof Kapitein Flapoog de reis door het woud, tot nog toe, alléén had gemaakt. Zo voelde het ook. Hij overwoog de mogelijkheid dat hij de verkeerde boom omlaag was geklommen, een lariks misschien, maar verwierp die overweging onmiddellijk.

Hij gaf zijn ogen nog eens goed de kost, liep een rondje om de eik en bemerkte dat de splitsing aan de achterzijde van de eik weer samenkwam. Het was werkelijk een hele dikke eik, waardoor het logisch was dat men niet direct het verloop van de splitsing kon zien.Deze uitleg overpeinzend vervolgde Kapitein Flapoog, in zijn eentje, de reis naar het hart van het Zevenkoningswoud.

Abraham bulderde van het lachen. Toen deze, minimaal 3 minuten durende, lachbui over was probeerde hij nogmaals serieus naar de kaart te kijken, maar weer barste hij uit in een proestbui. Het was zo duidelijk als wat, dat ze dat niet eerder gezien hadden. Hahaha, wat een mop.

de blauw-geneusde clown, meester ballonnenvouwerDe blauw-geneusde clown en de schim bakkeleiden wat met elkaar, zoals ze de afgelopen dagen wel vaker deden. “Hoe zit het met onze marketing?”, bitste de clown naar de schim, “die is prima! Misschien moet jij eens wat beter je best doen om klanten binnen te houden,” mopperde de schim terug.

Zaken gingen niet zo goed bij Schimsalabim. Wat eerst een waterdichte businesscase leek, bleek eigenlijk een worst-case scenario te zijn.

Het viel wel op dat na de splitsing het kapmes overbodig bleek te zijn geworden. Een feit waar kapitein Flapoog  zich wel content bij kon vinden, dat gekap had hem een stevige kramp in zijn rechter flapoog bezorgd. Zijn blijde verlichting werd echter al snel omgevormd tot een hevige verontrusting voor zijn vermistte maat. Er spookten allerlei naargeestige gedachten door het hoofd van kapitein Flapoog, afgewisseld door aan horror-verhalen leunende mijmeringen. Misschien had de vloek wel bezit genomen van Abraham, en zat hij nu in een kano tweestemmig te zingen over kalknagels en mosterd.

Abraham hield, tenzij in een glas water bij een bocht naar rechts, helemaal niet van water. Anders was hij, immers, wel matroos geworden op een cruiseschip of iets dergelijks, in plaats van machinist op een trein.

Hij begon hout te sprokkelen voor een kampvuur. Het werd tenslotte al avond en kapitein Groenbaard begon het fris te krijgen.

De deurmat met “WELKOM” werd binnen gehaald , en verwisseld door een bordje met “GESLOTEN”, wat midden op de deur kwam te hangen.

Gelukkig beschikt kapitein Flapoog over super-nachtvisie, één van de voordelen van superheld zijn. Hij kon dus onverstoord zijn tocht over het smalle kronkelweggetje voortzetten. Kapitein Flapoog had sterk het vermoeden dat hij in kringeltjes liep, wat in werkelijkheid ook klopte, de web spiraalde naar het hart van het woud.

Plots hoorde hij een doffe dreun, gevolgd door een soort loeiend gesnurk. Kapitein Flapoog inspecteerde omzichtig de richting van waar het geluid kwam. Het bleek een, in slaap gevallen, geinig uitziende bizon te zijn. Het beest oogde vriendelijk, zo vredig slapend als het er bij lag. Hij besloot dat het inderdaad een mooie tijd was om te gaan slapen, de bizon leek lekker warm en zacht; een prima bed volgens kapitein Flapoog, en hij kroop voorzichtig tegen de buik van het beest.

Van al het lachen, en zijn plotseling opkomende heldere inzichten, was Abraham moe geworden, dus hij viel in slaap.

Kapitein Flapoog kon maar moeilijk de slaap vatten, hij maakte zich ongerust over zijn vriend. Wie moest toch de trein besturen, als Abraham wat zou overkomen?

Toen hij wakker werd, kwam dat doordat een haan, ergens diep in de jungle, oorverdovend aan het kraaien was. Kapitein Groenbaard was van mening dat de enige goede haan er één was die werd gebraden boven zijn kampvuur.

Het “GESLOTEN” bordje werd weer weggehaald en vervangen door de “WELKOM” mat.

Abraham ontwaakte met een flinke kater en een nare smaak in zijn mond. Vlug haalde hij een potje limoen-mosterd uit zijn rugzak en lepelde wat van het groene goedje zijn mond in. “Zo, dat lucht op,” zei hij gelukszalig tegen zichzelf. “Zo’n eikenboom is eigenlijk een prima slaapplek,” terwijl hij uit een holte tussen de wortels vandaan kroop. Abraham vroeg zich af of kapitein Flapoog misschien bovenin de boom in slaap was gevallen, hij herinnerde zich niets meer van zijn openbaringen de avond daarvoor.
Een vriendelijke, edoch beledigde, bizon

Kapitein Flapoog werd wakker doordat een enorme bizontong hem over zijn linker flapoog likte, met een ijzingwekkend snelle reflex wist hij een dergelijke lik over zijn rechteroog te ontwijken, de bizon keek beledigd. Kapitein Flapoog bedankte de bizon uitgebreid voor zijn gastvrijheden en verontschuldigde zich voor het feit dat hij zijn tocht met spoed weer moest voortzetten omdat zijn vriend in levensgevaard verkeerd, maar hij de volgende keer echt wat langer zou blijven om meer vriendelijkheden uit te wisselen en misschien zelfs een hapje gezellig mee zou grazen. De bizon keek nog steeds beledigd.

Abraham, nog steeds trouw wachtend onder de grote eik, had inmiddels zijn pijp weer gestopt, dit keer met een wat lichtere pijptabak. Het goedje van die shaman zou hij wel bewaren voor een keer dat Kapitein Flapoog weer, gezellig bij het haardvuur, één van zijn helden avonturen zou gaan vertellen.

De bizon maakte Kapitein Flapoog attent op de in de nabije verte verschenen rooksignalen.

Hij klopte nogmaals op de deur, en weer diezelfde snerpende stem klonk. Dit keer herpakte hij zich en liep, ietwat omzichtig, naar binnen.

Abraham en Kapitein Flapoog waren uitzinnig van vreugde toen ze elkaar weer zagen. Flapoog was gerust gesteld, toen hij zag dat er geen onnoemelijke dingen gebeurd met Abraham, en deed van ontluchting een klein vreugdedansje, dat wel iets weg had van de horlepiep, maar dan wel met zijn eigen draai er aan gegeven. Abraham had geen flauw idee waar hij deze vrije interpretatieve dans aan had verdiend, maar was de rotste niet en greep deze vreugdevolle aangelegenheid aan om ook een klein dansje te wagen. De bizon keek geamuseerd. Kapitein Flapoog boodt de bizon een erelidmaatschap van de Kapitein-Flapoog-Fanclub aan, alvorens hij en Abraham hun weg vervolgden, ieder langs een zij van de eik.

“Klandizie!” riep de schimmige. De clown liet een zucht, daar zat hij niet op te wachten, hij was druk een mini guillotine aan het testen op zijn duim. “Kan jij hem niet helpen?”, was de reactie van de clown. “Ik ben druk met onze sociale media campagne, en klanten zijn jouw verantwoordelijkheid hadden we afgesproken?” Zaken liepen nog steeds niet bij Schimsalabim.

Kapitein Flapoog en Abraham volgden gebroederlijk het slingerende weggetje richting het hart van het woud. De weg was zonder gevaar tot nu toe, en de twee begonnen zowel verveeld als overmoedig te geraken.

De bizon zat zich af te vragen hoe hij de Kapitein Flapoog Nieuwsbrief moest ontvangen zonder officieel postadres, afgezien daarvan was er ook nog nooit een postbode levend terug gekeerd uit het woud, wat dit een niet erg populaire bezorgwijk maakte. Uiteindelijk zou het niets uitmaken, de bizon was analfabeet.

Eigenlijk was de weg niet geheel zonder gevaar, het stikte namelijk van de muggen. Muggen zijn op zich niet zo gevaarlijk, eerder een kleine bron van irritatie, maar voor iemand zonder armen, dus zonder handen, dus zonder nagels, zijn ze meer dan dat. Voor een persoon zonder nagels, zijn muggen een probleem. Kapitein Flapoog was woest met zijn ogen om zich heen aan het flappen om het prikkende ongedierte zo ver mogelijk uit zijn buurt te houden.

Door het constante rondslaan van zijn flapogen ontging Kapitein Flapoog iets van belang; een paar ogen en een snor staken opvallend af tussen de groenbladeren van de struiken die hem en Abraham omringden. De ogen waren delfts blauw, en de snor was wit en borstelig. Het was een slecht onderhouden snor, die alleen op zondagen van de even weken met een franse slag werd onderhouden. Het was niet duidelijk of de ogen en de snor onderdeel waren van hetzelfde gezicht. Op dit moment was Kapitein Flapoog niets meer duidelijk, het duizelde hem voor de ogen , dankzij het ongecontroleerde gewapper met zijn ogen, hij moest even gaan zitten en wat drinken.

Abraham haalde 2 flesjes spa blauw uit zijn rugzak, én een rietje. De muggen zwermden en-masse op Kapitein Flapoog af terwijl hij zijn verwapperde ogen een momentje rust gaf. Het werd hem te veel, de muggen overmeesterden Kapitein Flapoog. Onder het lijdzaam toeziend oog van Abraham verloor Kapitein Flapoog het bewustzijn.

Abraham begreep niet waarom de muggen niets van hem moesten hebben. Hij is tenslotte best een lekkere vent, vind hij zelf. Het was de penetrerende lucht van zijn pijptabak die hem hetzelfde lot als Kapitein Flapoog ontzegde, soms blijkt roken toch nog ergens goed voor te zijn. Helaas ontging Abraham dit feit volledig.

Schoorvoetend trad het schimmige figuur richting de, gehavend uitziende, klant. “Waar kan ik u mee van dienst zijn?”, vroeg hij ietwat geïrriteerd. “Héé, doe eens lief tegen onze klant!”, schalde er uit het kantoor. De klant wees naar een stevig uitziende, met wat overlengte kampende, toverstok en stamelde “Die…”

Plots doken er drie, met wat onderlengte kampende, dames uit de struiken. Bij één van hen prijkte een borstelige snor onder de neus. Abraham keek verafschuwd. Twee van de dames besprongen Abraham behendig. En, voordat hij iets kon doen, knevelden en blinddoekten ze hem. De derde wierp Kapitein Flapoog over de schouder. Ze werden ontvoerd!

Hij had honger, en besloot op zoek te gaan naar die vermaledijde haan, die hem zo bruut had doen ontwaken. Kapitein Groenbaard trok de jungle in. Zijn wraak zal goed gemarineerd zijn.

Op zoek naar een pleister voor zijn duim liep de clown het kantoor uit. Het kantoor achterin de winkel diende tevens als bezemkast, toilet en slaapkamer voor de twee zakenpartners. Schimsalabim was niet een erg grote winkel, meer konden ze zich niet veroorloven. Zaken liepen nog niet optimaal, en erg gul was de bank niet bepaald geweest met die lening. Eigenlijk viel het nog mee dat ze überhaupt een lening hebben los weten te peuteren met een businesscase achterop wat bierviltjes. In het budget was nooit ruimte geweest voor pleisters.

Kapitein Flapoog kwam langzaam bij bewustzijn, hij opende voorzichtig zijn ogen, onderwijl nam het zachte gesmoes toe in volume en transformeerde snel in een luid gekakel toen ze door kregen dat hun onvrijwillige gast zich bewust werd van het feit dat hij zich niet meer bevond waar hij dacht dat hij zich bevond. Drie kleine dames rende onder een roes van extase de, muf naar oud leer riekende ruimte, uit, onderwijl nog wat kakelend. Verbaasd was Kapitein Flapoog enigszins wel. Zijn flapogen bleken vastgebonden, hoewel zijn zicht niet belemmerd. Gekneveld en wormend aan de overzijde lag Abraham, zijn rugzak ongeopend maar ruim buiten bereik. Hij vroeg zich hardop af wat dit allemaal te betekenen had, antwoord kreeg hij niet, had hij ook niet verwacht; het was tenslotte een retorische vraag. Abraham onderbrak zijn gewurm bij het opmerken van Kapitein Flapoog’s ontwaken, weldra ging hij er weer mee verder.
kip of haan. Wat jij wilt...

De haan hield zich stil, maar de algemene richting waaruit het gekukel was gekomen stond venijnig in het geheugen van Kapitein Groenbaard gegrift. Hij ploeterde vastberaden voort tussen lianen en de grillige wortelpartijen van hoog torenende bomen. Kapitein Groenbaard had een doel.

Er brandde een kampvuur buiten, daar boven hing een grote zwarte ketel te pruttelen. Drie dwergachtige vrouwtjes stonden er kibbelend naast. Onduidelijk was het welk lot ze voor ogen hadden met hun krijgsgevangenen. Zouden ze ze opeten, levend koken in de ranzig ruikende groene drab die licht aan de kook begon te raken boven de knisperende vuurhoop?Of hadden ze misschien nog snodere plannen? Kapitein Flapoog ontging het onderlinge gebakkelei tussen de dames volledig. Hij was de binnenkant van de van de ruimte, waarin ze zo kundig zijn vastgeknoopt, volledig in zich aan het opnemen. De kamer was rond-achtig en liep spits toe, tot in een punt. Fluisterend sprak hij tot Abraham: “psssst…,” Abraham stopte met wurmen en probeerde in de richting van Kapitein Flapoog te kijken, “Volgens mij is dit de geinig uitziende tipi”. Abraham vond er niets geinigs aan en snuifde ongenoegzaam om zijn ongenoegen te uiten. Plots onderbraken de drie vrouwtjes de eenzijdige conversatie tussen Abraham en Kapitein Flapoog, door wild de tent in te stormen. Alle drie droegen ze een gebogen puntmuts en een zwarte mantel, ze hadden lange spitse schoenen aan, bij één prijkte een borstelige snor onder de haakneus, het leken wel drie dwergheksen.de Drie Dwergheksen hebben honger in een broodje flapoogDe dwergheksen stopten met de tent in stormen, en hielden halt tegenover Kapitein Flapoog, soort van oog-in-oog staarden ze hem een tijdje stilzwijgend aan. Een ongemakkelijk gevoel bekroop Kapitein Flapoog. Of dit kwam door het staren, het feit dat ze overmeesterd waren door drie dwergheksen, of een combinatie er van was niet boeiend voor Kapitein Flapoog. Hij was te druk met het beredeneren van een uitweg voor deze benarrende situatie. De besnorde dwergheks porde eens stevig in één van de flappen van Kapitein Flapoog en mompelde iets van “hmmm…lekker vlezig,” onderwijl onderging Abraham hetzelfde lot, hij werd gepookt door de dwergheks met de puntkin, die teleurgesteld “STOOFPOT!” schreeuwde naar haar mini-kompanen.

De val was gezet, en alles wat er nu restte, was afwachten. Gelukkig beschikt een piraten-kapitein over een gezonde dosis monniken geduld. Het duurde, voor zijn gevoel een paar uur te lang, maar eindelijk kwam daar zijn doelwit aan gescharreld. Kapitein Groenbaard kreeg het gevoel dat het ongelukstij aan het keren was en dat de kaarten eindelijk weer eens in zijn voordeel werden gedeeld.De hoender pikte zich langzaam een weg richting de tot val gedoopte contraptie, terwijl de honger en zenuwen zich een baan door het lichaam van Kapitein Groenbaard gieren.

KLAPDe val is dichtgeklapt, zijn plan heeft zicht met bloederig succes voltrokken, de hoender heeft zijn laatste kukel gekûût.

“Dat heb je mooi voor elkaar hè!”, riep de clown richting het schimmige persoon. “WAT!?” vroeg hij verontwaardigd. “Je hebt met jouw desinteresse, onze enige klant sinds de feesteloze opening weggejaagd”. Het was waar, de opening was als feestelijk bedoeld, met een luchtkussen en ballondieren gevouwen door de blauwgeneusde clown zelf. Helaas, de locatiekeuze voor Schimsalabim bleek niet de meest praktische. Niemand zit te wachten op een winkel met goochelkunstjes aan de rand van een jungle op een onbewoond eiland.

En nu? De volgende stap van zijn plan moest nog bedacht worden; het garen van de haan. Kapitein Groenbaard had weinig goesting om rauw gevogelte te eten. Risico’s te over: botulisme, salmonella, vogelgriep. Nee, de kans op een chronische vorm van buikloop is te veel aanwezig. Hij moest op zoek naar goede droge stukken brandhout en een ontstekingsbron. Had hij nu toch maar die overmaatse stok meegenomen uit die kringloopwinkel, maar dat gekrijs van die clown was echt onuitstaanbaar. Door merg en been ging het. Die stok zou prachtig branden…zucht

“Hoe is het met de bouillon?” Vroeg de besnorde aan de dwergheks met de wrat op haar kin. Fronsend voegde de bewratte een zooi soepgroenten toe aan de pruttelende ketel. Abraham had niet zulke hoge verwachtingen van de dwergheks-kookkunsten. Hij stelde zich dan ook een lange historie aan vluchtende diner-gasten voor, gezien de kneveling. De geur van groentesoep trok langzaam door het woud, daarbij de aandacht trekkende van een hongerig en woest ogende figuur.Kapitein Flapoog was zich gewaar geworden dat Abraham de ernst van de situatie niet geheel doorzag. Hij besloot het maar te laten voor wat het was en zich verder te concentreren op het uitbroeden van een ontsnappingsplannetje.

Glurend door wat struiken staarde hij likkebaardend naar de zacht pruttelende ketel. De geur van de groente bouillon alleen al was bijna voldoende om zijn knagende honger te stillen. Hij kon zich niet meer in houden, slaakte een soort van oerkreet en rende woest strompelend richting de ketel. De heksen schokken zich verbaasd, zoveel woede en agressie kenden ze, buiten die van henzelf, niet. Ze waren dan ook met stomheid geslagen, en wisten even niet met deze nieuwe situatie om te gaan. Toen de woesteling ook nog eens een vermorzelde kip in hun heerlijke soepje wierp was hun wanhoop compleet. “Nou, daar gaat ons feestmaal,” zei de besnorde sacherijnig. “Ik vind het helemaal geen gek idee, kippensoep,” vond de wrattige. “Vast een stuk smakelijker dan dat knokige stuk rookvlees wat we in de tent hebben leggen,” opperde de heks met de gepunte kin. En zo kwamen ze tot een concessie: vanavond staat er kippensoep op het menu.De woesteling werd hartelijk ontvangen en, vanwege zijn culinaire inbreng, uitgenodigd voor het avondmaal.

Dit deed de deur dicht voor de schimmige, langer kon hij de verbale misbruik van de clowneske mispunt niet verdragen. Hij sloeg de voordeur van Schimsalabim met een luide klap achter zich dicht. De clown wreef zich in de handen. Zo, opgerot staat netjes.

Onder het genot van een heerlijke kippensoep deed hij zijn relaas over hoe hij schipbreuk had geleden en de daarop volgende beslommeringen. Hij stelde zich voor als Kapitein Groenbaard. Ook vertelde hij over zijn vermiste houten been, en alle vormen van substitutie die hij had geprobeerd. Niets kwam ook maar enige vorm van in de buurt van zijn geliefde prothese.

De drie dwergheksen stelden zich voor als Prima, Gambrina en Cambrina. De besnorde, Gambrina, leek wel een erg bijzondere interesse te hebben voor de beslommeringen van Kapitein Groenbaard. De besnorde, Gambrina, leek wel een erg bijzondere interesse te hebben voor de beslommeringen van Kapitein Groenbaard.

“Hij luistert nooit naar me, ” en “Hij denkt alleen maar aan zichzelf, ” mopperend liep de schimmige langs het strand terug naar de bewoonde wereld. Hij wist hier in de buurt een leuk klein dorpje langs de rand van het woud. Wellicht werd hij daar wel door iemand gewaardeerd.

Hij zocht naar een uitweg, maar wat Kapitein Flapoog ook probeerde, hij kreeg zichzelf niet ontknevelt. Abraham begon zich ondertussen redelijk te ergeren aan het gemis van zijn pijp. Hij besloot er wat aan te doen. In zijn broekszak bevond zich nog een half gekloven teennagel. Behendig friemelde Abraham met zijn linkerhand de nagel uit zijn zak en begon er de touwen mee door te snijden. Kapitein Flapoog kon door de professionele kneveling van zijn flapogen niet zien wat zijn oren hoorden en begreep daardoor niets van de rare ritmische geluiden die zijn metgezel produceerde.

Eindelijk was het hem gelukt! Heel de tent was nu van hem alleen . De blauwgeneusde clown was erg tevreden met zichzelf. “Zo, nu eerst eens een andere naam verzinnen voor mijn winkel,” fluisterde hij zichzelf toe. En daarna vlug wat personeel aannemen om de klandizie te bedienen.

“Sorry hoor, maar dat ga ik echt niet eten,” sprak Kapitein Groenbaard. Verontwaardigd staarden de drie dwergheksen hem aan. “Waarom niet?”, “Ja, wat is er mis met zo’n lekker maaltje?”, “Belachelijk!”, klonk er uit de drie heksen monden. “Kannibalisme is niet aan mij besteed, daarbij stinkt hij naar oude sokken en pijptabak”. Kapitein Groenbaard begon een relaas over hoe het eten van mensen wel erg vorige eeuw is, hoe het kan leiden tot diverse ongeneeslijke maag aandoeningen en dat het ook totaal niet past binnen de vernieuwde schijf van vijf. De drie dwergheksen hadden altijd al zo hun vermoedens gehad en zagen  deze nu bevestigt door de bevlogen spreekbeurt van Kapitein Groenbaard. Gezusterlijk zworen ze direct hun nare eetgewoontes af en beloofden ze plechtig trouw aan de Jamie Oliver Bijbel, die ze toevalligerwijs op de plank hadden staan, maar eigenlijk nooit hadden gelezen.

Wordt vervolgd, volgende donderdag…

Skip to toolbar